NL / EN
Nieuws-detail -
Wegwijs in Woonrecht
Praktische antwoorden op vragen uit de praktijk
Klik hier om dit boek te bestellen

Hoge Raad komt flexwerkers tegemoet door te bepalen dat iedere oproep recht geeft op minimaal drie uur loon.

29 mei 2013 - Arbeidsrecht nieuws

Artikel 7:628a BW geeft een werknemer in twee gevallen recht op loon voor de duur van drie uur, ongeacht of hij deze drie uur heeft gewerkt (het zogenoemde garantieloon). Het eerste geval betreft de situatie dat er een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week is afgesproken en de tijdstippen waarop moet worden gewerkt niet zijn vastgelegd. Het tweede geval betreft de situatie dat de arbeidsomvang niet of niet eenduidig overeen is gekomen. Doet één van deze gevallen zich voor dan heeft de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur zou hebben gewerkt. Het dient hierbij te gaan om een aaneengesloten periode. Een onderbreking doet een nieuwe periode ingaan, tenzij sprake is van een reguliere werkpauze die ook voor overige werknemers geldt.
De Hoge Raad heeft zich zeer recent uitgelaten over de vraag hoe dit garantieloon moet worden berekend als de werknemer op één dag meerdere keren wordt opgeroepen voor periodes van telkens korter dan drie uur.


De feiten

De casus was als volgt. De werkgever exploiteert een taxibedrijf en een koeriersdienst. De werkneemster is ruim vijf jaar in dienst geweest van werkgever als taxichauffeur. Laatstelijk bedroeg de overeengekomen arbeidsomvang 12 uur per week. Specifieke werktijden werden niet afgesproken. Bij aanvang van ieder schooljaar verdeelde de werkgever het schoolvervoer over de chauffeurs. Ook aan werkneemster werd een schoolroute toebedeeld voor het brengen naar en halen van school van kinderen. Daarmee was, globaal, één uur per rit gemoeid. Voorts had zij per maand één keer een weekenddienst en één keer een avonddienst. Daarnaast werd werkneemster op wisselende tijdstippen opgeroepen voor andere ritten. Dergelijke ritten werden ofwel de dag ervoor via een rooster kenbaar gemaakt (ingeval van aan de eerste schoolrit voorafgaande ritten), ofwel op de dag zelf telefonisch aan haar opgedragen. Deze ritten sloten al dan niet aan op het begin of het einde van de schoolritten.

Nadat werkneemster uit dienst is getreden, vordert zij achterstallig loon met vakantiebijslag en achterstallige vakantie-uren, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW. Haar vordering baseert zij op artikel 7:628a BW en zij is er bij de berekening van de omvang van haar vordering van uitgegaan dat de werkgever voor iedere aaneengesloten periode waarin zij heeft gereden ten minste drie uur loon is verschuldigd.



De kantonrechter en het Gerechtshof

De kantonrechter heeft de vordering slechts deels toegewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat een redelijke uitleg van artikel 7:628a BW meebrengt dat werkneemster voor haar beschikbaarheid om taxiritten te rijden op de dagen dat zij schoolritten verzorgde, aanspraak kan maken op een vergoeding van drie uur arbeid indien zij op de desbetreffende dag één of meer apart geregistreerde ritten heeft gereden en de totaal daarmee gemoeide tijd minder is dan drie uur. Als er op één dag meerdere niet aaneengesloten taxiritten werden gereden, dan dienen deze niet ieder te worden beschouwd als een periode minder dan drie uur in de zin van artikel 7:628a BW, aldus de kantonrechter.

In hoger beroep heeft het hof het standpunt van de werkneemster verworpen dat artikel 7:628a BW aldus moet worden uitgelegd dat in dit geval op één dag voor iedere rit (niet zijnde een schoolrit) steeds ten minste drie uur moet worden uitbetaald, onafhankelijk van de tussen de ritten gelegen tijd. Naar het oordeel van het hof kan dat niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever, omdat aldus bepaalde delen van de dag dubbel zouden worden betaald.



De Hoge Raad

In cassatie heeft de Hoge Raad de arresten van het hof vernietigd. De Hoge Raad overwoog daartoe als volgt. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 7:628a BW ertoe te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid wordt verricht, en waarbij onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid van de arbeidsduur en de daaruit voortvloeiende inkomsten over de tijden waarop deze arbeid moet worden verricht. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot duidelijke afspraken te komen. Gelet op de tekst en strekking van artikel 7:628a BW brengt die bepaling mee dat de werknemer wiens arbeidsvoorwaarden voldoen aan de in artikel 7:628a BW genoemde voorwaarden en die meerdere malen per dag wordt opgeroepen werk te verrichten, over elke afzonderlijke periode van arbeid recht heeft op loon voor een periode van minimaal drie uur. Die uitleg strookt bovendien met de bedoeling van de wetgever om de situatie na werkonderbreking die niet bestaat in een regulier werkpauze, aan te merken als een nieuwe periode van arbeid die aanspraak geeft op het garantieloon. Dit wordt niet anders doordat aldus de mogelijkheid ontstaat dat de werknemer die meerdere malen op een dag wordt opgeroepen, over bepaalde tijdvakken van die dag 'dubbel' wordt beloond.



Conclusie

Door deze uitspraak worden werkgevers als het ware gedwongen om de arbeid van flexwerkers beter te organiseren dan de werkgever in de onderhavige situatie heeft gedaan. Werkgevers kunnen de cumulatie van aanspraken op garantieloon voorkomen door de werknemer voor een aaneengesloten periode op te roepen. Uiteraard voorkomt een werkgever deze cumulatie ook door een arbeidsovereenkomst van meer dan 15 uur per week af te spreken, dan wel door de tijdstippen waarop de arbeid dient te worden verricht vast te leggen. Als de behoefte aan werkzaamheden minder is dan verwacht, dan betaalt de werkgever de werknemer slechts eenmaal loon over de wachttijd. Van overlap van gewerkte periodes is dan geen sprake.

Deze uitspraak van de Hoge Raad is gepubliceerd op rechtspraak.nl (LJN: BZ2907).


Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Erik Lichtenveldt (tel: 010-7504475 of e-mail el@thladvocaten.nl).

Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Lees meer over ons cookiebeleid.