NL / EN
Nieuws-detail -
Wegwijs in Woonrecht
Praktische antwoorden op vragen uit de praktijk
Klik hier om dit boek te bestellen

Vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens dwaling: ook bij onjuiste inlichting die niet rechtstreeks aan de dwalende is verstrekt

15 februari 2013 - nieuws

Het komt in de praktijk geregeld voor dat een overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling is aangegaan. De partij die van die onjuiste voorstelling is uitgegaan, kan dan een beroep doen op dwaling (artikel 6:228 BW). Slaagt dit beroep, dan wordt de overeenkomst vernietigd.


Voor een geslaagd beroep op dwaling moet er een causaal verband bestaan tussen de onjuiste voorstelling en het sluiten van de overeenkomst. Het gaat er om dat de dwaling iets betrof dat voor de dwalende zo essentieel was, dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden. Er moet bovendien sprake zijn van één van de in lid 1 van artikel 6:228 BW genoemde gevallen. Die gevallen hebben met elkaar gemeen dat de dwaling mede het gevolg moet zijn van een bepaald gedrag van de wederpartij. De overeenkomst is pas vernietigbaar als (a) de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij en die wederpartij mocht aannemen dat de inlichting invloed had op de totstandkoming van de overeenkomst, (b) de dwaling te wijten is aan het zwijgen van de wederpartij en die wederpartij de dwalende had behoren in te lichten, of (c) in geval van wederzijdse dwaling en de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken geen reden zou hebben gehad te betwijfelen dat de dwalende de overeenkomst zou sluiten.

Toegespitst op de vaststellingsovereenkomst wordt in de literatuur wel opgemerkt dat deze in beginsel niet kan worden vernietigd wegens dwaling als de onjuiste voorstelling van zaken betrekking heeft op een onzekerheid die door een zekerheid is vervangen (partijen stellen in de overeenkomst immers het één en ander vast), maar dat de dwalende partij zich onder omstandigheden wel met succes op artikel 6:228 lid 1 sub b BW kan beroepen en haar wederpartij kan verwijten dat zij vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ten onrechte relevante informatie voor zich heeft gehouden.

In een recente uitspraak van de Hoge Raad deed zich de vraag voor of aan een succesvol beroep op artikel 6:228 lid 1 sub a BW in de weg staat dat de inlichting van de wederpartij niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt en niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan.

De casus waarover de Hoge Raad zich heeft gebogen was de volgende. Partijen hebben sinds 1995 samengewerkt op het terrein van de exploitatie van onroerend goed. Sinds 2000 kreeg hun samenwerking gestalte in de vorm van een groot aantal vennootschappen. In februari 2001 hebben partijen om persoonlijke redenen besloten tot beëindiging van hun samenwerking en zijn daartoe op 7 februari 2001 een voorovereenkomst aangegaan. Daarbij zijn partijen onder meer overeengekomen dat - kort gezegd - X aan Y een optie verleende om alle aandelen in de gezamenlijke vennootschappen over te nemen. Prijsvaststelling zou plaatsvinden door twee accountants, waarvan partijen er ieder één zouden benoemen. Mochten deze accountants geen overeenstemming bereiken dan dienden deze accountants gezamenlijk een derde onafhankelijke registeraccountant aan te wijzen. Dit laatste is gebeurd: de derde accountant is als bindend adviseur benoemd met de opdracht de prijs voor de door Y over te nemen aandelen vast te stellen. Tot een definitief rapport is het niet gekomen, maar de bindend adviseur heeft wel twee conceptrapporten opgesteld, waarin het gezamenlijk belang van partijen in de vennootschappen is gewaardeerd. Uiteindelijk hebben partijen, ter beëindiging van hun geschillen over de afwikkeling van hun samenwerking, in 2003 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald dat partijen de eerder gesloten voorovereenkomst vernietigen en dat de opdracht aan de benoemde bindend adviseur wordt beëindigd.

Nadat de vaststellingsovereenkomst was uitgevoerd heeft X in een procedure de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst gevorderd en betaling door Y van aanvullende (af)koopsommen. De vordering is - kort gezegd - erop gebaseerd dat X informatie heeft ontvangen waaruit bleek dat de informatie waarvan hij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was uitgegaan onjuist was, dit omdat Y onder meer de bindend adviseur heeft misleid inzake de waarde van diverse objecten die in de conceptrapporten van de bindend adviseur worden besproken.

De rechtbank wees de vordering van X voor een (beperkt) deel toe, maar het hof wees de vordering af. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt. Uit de later gesloten vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen onder meer de afspraak dat derden de waarde van hun goederen zouden vastleggen, hebben beëindigd. Partijen hebben met de vaststellingsovereenkomst niet willen voortbouwen op de voorovereenkomst. Voor zover X heeft aangevoerd dat Y de bindend adviseur verkeerd zou hebben voorgelicht, is dat in verband met de door X gestelde dwaling niet van belang, nu de vaststellingsovereenkomst niet berustte op de bemoeienissen van de bindend adviseur of op de door hem bepaalde waarderingen.

In cassatie bestrijdt X dit oordeel van het hof, onder meer met de klacht dat de onjuiste informatie die Y volgens X aan de bindend adviseur heeft verstrekt, daarmee tevens aan X bekend is geworden en door X bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst in zijn afweging is betrokken. Dat die vaststellingsovereenkomst zelf niet berustte op de waarderingen van de bindend adviseur, kan daaraan niet afdoen, aldus X. De Hoge Raad acht deze klacht gegrond en overweegt daartoe als volgt: De omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, sluit een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uit. Dit geldt in het bijzonder indien sprake is van betrokkenheid van de wederpartij bij de dwaling op een wijze als genoemd in artikel 6:228 lid 1, onder a of b BW. Indien, zoals in het onderhavige geval, wordt gesteld dat de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, staat voorts aan een succesvol beroep op dwaling niet in de weg dat die inlichting niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt of niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan. De omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst niet berustte op de bemoeienissen of waarderingen van de bindend adviseur, sluit derhalve niet uit dat X die overeenkomst kan hebben gesloten onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken die gebaseerd was op een inlichting van Y aan de bindend adviseur waarvan X door de rapportage van de bindend adviseur heeft kennisgenomen. Het hof heeft dit miskend.

Kortom, aan een succesvol beroep op dwaling staat niet in de weg dat de inlichting van de wederpartij niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt of niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan.

Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Camilla Rodrigues Pereira-de Kuyper (tel: 010-7504475 of e-mail ck@thladvocaten.nl).

Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Lees meer over ons cookiebeleid.