Nieuws-detail -

Valt een vergoeding voor goodwill onder de verhuis- en inrichtingskosten?

08 maart 2018 - Vastgoedrecht nieuws

 

Wanneer de huurovereenkomst eindigt, zal de huurder die moet vertrekken in de regel kosten moeten maken. De huurder kan in bepaalde gevallen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Ten aanzien van de verhuur van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW zijn daarover in artikel 7:297 BW nadere regels vastgesteld. Recent heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of een vergoeding voor goodwill onder de verhuis- en inrichtingskosten valt. Hieronder zal de casus en de uitspraak van de Hoge Raad behandeld worden.

Casus

Sinds 1996 huurde een restauranthouder een bedrijfsruimte van de verhuurder. De huurovereenkomst was inmiddels voor onbepaalde tijd voortgezet en kon worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar. De verhuurder heeft de huurovereenkomst volgens de regels opgezegd wegens dringend eigen gebruik. De huurder heeft niet ingestemd met de opzegging, waarna de verhuurder de huurder in rechte heeft betrokken en kort gezegd gevorderd heeft, dat de kantonrechter het tijdstip waarop de tussen partijen gesloten huurovereenkomst eindigt en het tijdstip van ontruiming vaststelt.

De huurder heeft in de procedure aanspraak gemaakt op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Volgens de huurder zou een vergoeding voor goodwill onder de strekking van artikel 7:297 BW vallen (waarin de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is geregeld). De kantonrechter heeft de vordering van de verhuurder (strekkende tot beëindiging van de huurovereenkomst) afgewezen, maar het gerechtshof heeft de vordering toegewezen. De verhuurder is veroordeeld tot betaling van een tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten ex artikel 7:297 BW, maar het gerechtshof oordeelde ook dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op goodwill.

Hoge Raad

De huurder was het daar niet mee eens en is vervolgens in cassatie gegaan, waarin hij stelde dat er bij de vaststelling van de tegemoetkoming ex artikel 7:297 BW een verschil gemaakt dient te worden tussen de te betalen goodwill bij verkrijging van een nieuwe bedrijfslocatie 'going concern' en goodwill die te maken heeft met de bedrijfsruimte die wordt verlaten. Ten aanzien van de laatste situatie zou uit de wetsgeschiedenis voldoende blijken dat een dergelijke vergoeding niet onder de reikwijdte van artikel 7:297 BW zou vallen, terwijl dat volgens de huurder bij de eerste situatie wél zou moeten zijn.

De Hoge Raad gaat daar niet in mee en oordeelt dat artikel 7:297 BW niet een algemene bevoegdheid geeft tot toekenning van een schadeloosstelling in verband met het betrekken van een nieuwe locatie (zoals goodwill), maar enkel de bevoegdheid tot toekenning van een vergoeding voor in de wet omschreven specifieke kosten (namelijk verhuiskosten en inrichtingskosten). Artikel 7:297 BW heeft naar haar bewoordingen immers betrekking op (kosten verbonden met) het feitelijk betrekken van nieuwe bedrijfsruimte, terwijl een vergoeding voor goodwill, kort gezegd, ziet op winstverwachting van het in die nieuwe bedrijfsruimte uit te oefenen bedrijf, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad verwerpt dan ook het beroep van de huurder.

Conclusie

De tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 7:297 BW ziet alleen op kosten die verbonden zijn met het feitelijk betrekken een nieuwe bedrijfsruimte. Een vergoeding voor goodwill valt daar niet onder.

Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Erik Lichtenveldt (tel: 010-7504475 of e-mail el@thladvocaten.nl).

Terug naar vorige pagina
Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Door gebruik te maken van deze website of door op akkoord te drukken, ga je akkoord met ons cookiebeleid. Je kan cookies ook niet accepteren.