NL / EN
Nieuws-detail -
Wegwijs in Woonrecht
Praktische antwoorden op vragen uit de praktijk
Klik hier om dit boek te bestellen

Is de vraag van een huurder aan de deurwaarder ‘of hij nog in zijn woning mag blijven’ een zogenoemde daad van bekendheid?

10 maart 2016 - nieuws

Wanneer een gedaagde in een dagvaardingsprocedure op juiste wijze is opgeroepen, maar toch niet verschijnt, dan zal de rechter aan deze gedaagde verstek verlenen en een verstekvonnis uitspreken. Dit houdt doorgaans in dat de vorderingen van de eiser volledig worden toegewezen, tenzij de rechter de vorderingen (of een deel ervan) onrechtmatig lijken (lijkt).

Na betekening van het verstekvonnis door de deurwaarder heeft de gedaagde partij slechts vier weken de tijd om in verzet te komen. Deze termijn vangt direct aan wanneer het vonnis aan gedaagde in persoon is betekend. Wordt er tijdens de betekening van het vonnis niemand op het adres van de gedaagde aangetroffen waardoor het vonnis in een gesloten envelop wordt achtergelaten, dan vangt de termijn van vier weken aan wanneer de gedaagde een zogenoemde daad van bekendheid heeft verricht of nadat het vonnis ten uitvoer is gelegd, aldus artikel 143 lid 2 Rv. Een daad van bekendheid impliceert een gedraging naar buiten toe waaruit blijkt dat de gedaagde kennis heeft van de hoofdinhoud van het vonnis.

In een uitspraak van december vorig jaar heeft het hof Den Bosch moeten oordelen of een bepaalde gedraging kwalificeerde als een daad van bekendheid. De volgende feiten en omstandigheden zijn relevant. Een huurder (gedaagde) heeft een huurachterstand laten ontstaan. De verhuurder (eiser) heeft een deurwaarderskantoor ingeschakeld om de achterstallige huur te innen. Bij brief van 25 oktober 2013 heeft het deurwaarderskantoor de huurder gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen van de op dat moment bestaande huurachterstand, bij gebreke waarvan de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden gevorderd. Omdat betaling uitbleef, heeft de verhuurder de huurder gedagvaard. Bij verstekvonnis van 27 november 2013 heeft de kantonrechter de vorderingen van de verhuurder toegewezen. Dit vonnis is op 5 december 2013 aan de huurder betekend door achterlating van het vonnis in een gesloten envelop bij de woning van huurder. Op 16 januari 2014 heeft de huurder gesproken met een medewerkster van het deurwaarderskantoor. Deze medewerkster heeft de volgende notitie gemaakt:

"debi belt is pas uit detentie gekomen vraagt of hij nog in de woning mag blijven. Hij heeft 21 januari a.s. een intake gesprek met een kliniek voor opname hij zal dan ongeveer een jaar worden opgenomen. Heb hem gezegd dat alles betaald moet worden dan kan hij blijven wonen maar dat wij wel zeggen dat hij ook al zit hij in een kliniek elke maand de huur moet betalen."

Op 18 februari 2014 is de huurder in verzet gekomen van het verstekvonnis. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de vraag van huurder of hij in de woning mag blijven samenhangt met de aangezegde ontruiming. Het stellen van deze vraag moet worden gekwalificeerd als een daad van bekendheid, zodat de verzettermijn van vier weken is gaan lopen op 16 januari 2014 en derhalve al was verstreken op het moment dat het verzet is ingesteld op 18 februari 2014, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft de huurder daarom bij vonnis van 22 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet.

De huurder is in hoger beroep gekomen van dit vonnis en volgens het hof terecht. Het hof neemt daarbij (volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad) in aanmerking dat van een 'daad van bekendheid' alleen sprake is als de veroordeelde door die daad blijk geeft van bekendheid met de hoofinhoud van het vonnis. Het moet gaan om een daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging de veroordeelde bekend is. Dit houdt in dat de veroordeelde een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Bij twijfel neemt de verzettermijn derhalve geen aanvang.

In het onderhavige geval kan niet worden uitgesloten dat de vraag van de huurder in het telefoongesprek met het deurwaarderskantoor een reactie vormde op de eerder verzonden sommatiebrief van dat deurwaarderskantoor. Uit de vraag van de huurder kan niet ondubbelzinnig worden opgemaakt dat de huurder met het inmiddels gewezen vonnis bekend was. Het verzet is dus wel tijdig ingesteld, zodat het hof het verzetvonnis heeft vernietigd voor zover de huurder bij dat vonnis niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzet.

Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Camilla Rodrigues Pereira-de Kuyper (tel: 010-7504475 of e-mail ck@thladvocaten.nl).

Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Lees meer over ons cookiebeleid.