NL / EN
Nieuws-detail -
Wegwijs in Woonrecht
Praktische antwoorden op vragen uit de praktijk
Klik hier om dit boek te bestellen

Hoge Raad: stilzittende echtgenoot gebonden aan effectenlease-overeenkomst

10 augustus 2015 - nieuws

Op 10 juli 2015 deed de Hoge Raad uitspraak in een nieuwe effectenlease-zaak. Hierin kwam aan bod wat het aanvangsmoment is van de verjaringstermijn voor vernietiging van een rechtshandeling die in strijd met artikel 1:88 BW is verricht. Deze bepaling schrijft voor dat echtgenoten voor het verrichten van bepaalde rechtshandeling toestemming van hun eega nodig hebben. Hierna ga ik eerst in op (de achtergrond van) de in de uitspraak relevante wetsbepalingen, waaronder artikel 1:88 BW. Daarna bespreek ik de standpunten en stellingen van partijen en de door de Hoge Raad gegeven rechtsregel.

Over artikel 1:88 BW

Zoals gezegd, hebben echtgenoten voor bepaalde rechtshandeling de toestemming van hun eega nodig. Deze regeling beoogt echtgenoten, in het belang van het gezin, te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien het voorwerp van de rechtshandeling (de woning) of de aard daarvan (giften, zekerheidsstelling ten behoeve van derden en koop op afbetaling) benadelend zijn of een groot financieel risico met zich brengen.

Voor het aangaan van een effectenlease-overeenkomst is schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot vereist. Volgens artikel 1:89 BW kan de andere echtgenoot, indien deze toestemming ontbreekt, de overeenkomst door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. In artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder sub d BW is bepaald dat de rechtsvordering tot vernietiging van de betreffende rechtshandeling verjaart drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. Uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder de formule "ten dienste is komen te staan", valt dat de termijn loopt vanaf het tijdstip waarop de echtgenoot daadwerkelijk met de overeenkomst bekend was. De rechter mag, behoudens tegenbewijs, deze bekendheid gronden op het oudste bankafschrift van de gezamenlijke rekening waarop de betalingen staan vermeld.

De casus

In 1999 sloot Dexia met een echtpaar een effectenlease-overeenkomst, die op enig moment tussentijds is beëindigd. De echtgenoten weigeren de eindafrekening van ruim € 20.000,= aan aflossing en boete te betalen en beroepen zich erop dat de echtgenote in 2004 de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dit vanwege het ontbreken van haar schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW. Dexia stelt dat de buitengerechtelijke vernietiging geen effect heeft gehad, omdat de bevoegdheid daartoe al was verjaard. Volgens Dexia was de toepasselijke verjaringstermijn van artikel 3:52 BW al verstreken. Het gerechtshof oordeelt dat de bevoegdheid tot vernietiging – zoals Dexia stelt – inderdaad al was verjaard. De Hoge Raad dient te beoordelen of het arrest van het gerechtshof in stand kan blijven of niet.

In hoger beroep voerde het echtpaar aan dat voor een aanvang van de verjaringstermijn (naast daadwerkelijke bekendheid met het bestaan van de overeenkomst) óók bekendheid vereist is met het bestaan van een vernietigingsgrond. Het hof verwierp dit betoog. Volgens het echtpaar heeft het hof met dit oordeel miskend dat de echtgenote haar bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen, pas daadwerkelijk kon uitoefenen zodra zij wist of begreep dat zij daartoe bevoegd was.

De Hoge Raad verwerpt de klacht tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat niet kan worden aangenomen dat van daadwerkelijke bekendheid pas sprake is zodra de echtgenote aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekwam, wist of begreep dat zij bevoegd was de leaseovereenkomst te vernietigen. Het stellen van deze voorwaarde zou niet in overeenstemming zijn met een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer. Voor het gaan lopen van bedoelde verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. De Hoge Raad laat het oordeel van het Hof in stand.

Conclusie

Uit het arrest volgt dat echtgenoten die onder in artikel 1:88 BW genoemde rechtshandelingen uitwillen voor het vernietigen van deze rechtshandelingen drie jaar de tijd hebben vanaf het moment dat zij daadwerkelijk bekend zijn geworden met het bestaan van de rechtshandeling. Of de echtgenoot die dit wil zich realiseert dat aan hem of haar een bevoegdheid tot vernietiging toekomt is voor de aanvang van de verjaringstermijn niet van belang. Dit laat zich verklaren door het uitgangspunt dat iedereen wordt geacht de wet te kennen.

Echtgenoten die zich niet kunnen vinden in rechtshandelingen van hun eega doen er goed aan zich tijdig te laten voorlichten over hun mogelijkheden hieronder uit te komen. Indien zij deze moeite niet nemen, lopen zij het risico hun recht tot vernietiging te verspelen.

Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met ons kantoor (tel: 010-7504475 of e-mail info@thladvocaten.nl)